|
22 April 2010
Het is te hoog gegrepen. Ik kan niet meer. Ik hijs mezelf uit het zadel en laat mijn gewicht op de pedalen zakken. Met uiterste krachtsinspanning weet ik de crank draaiende te houden en in de lichtste versnelling kruip ik verder omhoog. Ik zie de pas al liggen. Hij ligt zeker nog twintig pijnlijke kilometers bij ons vandaan. Daar. In de verte ligt hij. De Taglang La op 5331 meter hoogte. Omkeren lijkt op dit moment een stuk aantrekkelijker.
Ruim twee weken geleden zijn we begonnen aan onze fietstocht door de Indiase Himalaya en inmiddels liggen er vier passen variërend van 4550 tot 5100 meter achter ons. Hier in dit grillige landschap doemt de laatste puist op. Piepend ontsnapt de lucht uit mijn keel, mijn longen doen pijn van het snelle en korte ademhalen. Ik hoest en proest. Zwalkend stap ik van mijn fiets af en voorover gebogen hang ik over mijn stuur. Ik moet overgeven, maar mijn maag is leeg. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst gegeten heb. Trek heb ik niet op deze hoogte. Ik voel me elke dag slapper. Elmar dwingt me te drinken, maar twee tellen later begint mijn lichaam al weer te schokken en ligt het goedje op de stoffige weg. Hoe ben ik hier in godsnaam terecht gekomen?
"Daar gaan we fietsen!" Elmar tuurt in een Bosatlas, die nog uit onze middelbare schooltijd stamt. Ik volg zijn vinger naar het noorden van India. Donkerbruine vlekken afgewisseld met witte. "Dit zijn dan ook echt hele hoge bergen" lijkt de Bosatlas te zeggen. India.. armoede, drukte, mensen die om je heen drommen en aan je lijf en spullen plukken. Is dat leuk?"Fantastisch! El, hier vind je de hoogste passen ter wereld en wij gaan daar overheen!" Ik zie de glundering op zijn gezicht. Vol overgave praat hij over het land en de mensen, ik hoor hem al niet meer, ik zie hem alleen genieten. "En? Wat denk je ervan?"
Om me heen leegte, de rust is overweldigend. Langs een bergwand kruipen we vooruit. Diep beneden ons zes simpele tenten. Voor het eerst deze reis zien we yaks. Grazend langs een minuscuul stroompje. Er valt weinig groen te ontdekken, maar het is blijkbaar genoeg om van te leven. Een Indiër met een verweerd gezicht zit op zijn paard. Hij sjokt rond langs het tafereel. Ik probeer me te concentreren op wat voor me ligt. Intussen lopen diep in het dal man en paard in het zelfde tempo als wij richting de pas. Hij lacht. Ik weet het zeker! Of begin ik serieus te hallucineren? Met mijn ogen half dicht geknepen, tuur ik naar de diepte. Zonder resultaat. Misschien kom ik het wel nooit te weten. Voor me is Elmar gestopt. Hij drinkt uit zijn bidon gevuld met gefilterd water uit een riviertje een zestigtal kilometers terug . Hij wacht op mij. Nog een laatste draai aan de trappers en ik sta eveneens stil. We hijgen en kijken terug naar waar we vanmorgen gestart zijn. Een dor en kaal landschap. Alleen hoog op de toppen ligt sneeuw of een gletsjer. Een vrachtwagen draait de bocht om. De zwaar beladen "Tata" wiebelt alle kanten op, het is een wonder dat het ding niet omvalt. De Sikh achter het stuur toetert en zwaait naar ons. Of wil hij ons opzij wuiven? Het gevaarte slingert rakelings langs ons heen en in een niet veel sneller tempo dan wij vervolgt hij zijn weg omhoog, ons in een diepzwarte, stinkende rookpluim achterlatend. Je kunt de Tata horen steunen en kreunen onder het gewicht, zoveel verschilt hij niet van ons. We stappen op en gaan in de achtervolging, de pas lonkt.
Een, twee, een, twee.. een, twee. Ik dans! Mijn hart bonkt in mijn keel. De meters tot aan de pas slinken. De cadans zet zich voort; Een, twee, een, twee, een, twee. We zijn er bijna! Het gaat ons lukken! Ik voel de triomf! Een, twee, een, twee.. Een, twee. Ronddraaien die trappers! Ik trek aan mijn stuur en slinger van steen naar gat en van gat naar steen. Een, twee, een, twee, een, twee. De spieren in mijn benen hangen tegen verzuring aan, een golf van misselijkheid maakt zich van mij meester. Ik slik de brok in mijn keel weg. Nog 200 meter, schat ik. Een, twee, een, twee, een, twee. Nog 150 meter! Elmar is er al bijna. Hij kijkt achterom en ziet dat ook ik nader. Nog 100 meter. 100 meter! Wat is nou 100 meter? In Nederland verslik je je in 100 meter! Hier doet het pijn. Een, twee, een, twee, een, twee. Ik ben op. Niets wil meer. 20 meter voor de pas is het afgelopen met mij. Hier maakt de weg een scherpe bocht naar rechts . De 20 steilste meters uit mijn leven scheiden mij van een persoonlijke overwinning. Tenminste, op dat moment vind ik dat ze steil zijn! Elmar zet intussen zijn fiets naast een klein tempeltje op de pas en ik kijk toe. Snikkend door emoties die door mijn lijf gieren, sta ik te trillen naast mijn fiets. Elmar loopt naar me toe.
"Kom, ik help je wel." Hij pakt mijn fiets vast en samen duwen we hem omhoog. "Ik kan niet meer, ik ben helemaal op!" De tranen rollen over mijn wangen. Mijn benen zijn pap geworden. "Tuurlijk kun je het!" Helemaal leeg en uitgeput parkeer ik mijn fiets naast die van Elmar. Ik plof neer op een stenen muurtje en langzaam vind ik mezelf weer terug. We hebben het gehaald! we hebben het echt gehaald! Ik weet niet waar de energie op dat moment vandaan komt, maar ik sta te juichen! Het geluk vloeit als een warme straal door mij heen. We omhelzen elkaar. Dit moment is voor ons. We zijn trots. In het dal niet ver beneden ons, vangen we nog een glimp op van de man op het paard. Hij lijkt ons vriendelijk toe te knikken.
| Next > |
|---|




